Geen verrekening na schone lei-verklaring bij einde schuldsanering

In beginsel kunnen opeisbare vorderingen die twee partijen over en weer hebben met elkaar worden verrekend. Als een van de vorderingen niet opeisbaar is, dan is verrekening niet mogelijk.

Er is een bijzondere regel, dat een vordering die niet afdwingbaar meer is vanwege verjaring, nog wel verrekend kan worden door de partij met de verjaarde vordering indien deze wordt aangesproken door de andere partij, die een niet verjaarde vordering heeft. Na verjaring van een vordering resteert een natuurlijke verbintenis. De betaling daarvan kan op zich niet in rechte worden afgedwongen, maar dus wel worden verrekend.

De Hoge Raad heeft op 15 maart 2019 een beslissing gewezen in cassatie op een faillissementsverzoek. Daaruit volgt dat de hiervoor bedoelde bijzondere regel van verrekening na verjaring niet analoog kan worden toegepast op de situatie dat er een vordering is op een natuurlijke persoon die aan het einde van een wettelijke schuldsanering een schone lei-verklaring heeft verkregen. Door een dergelijke verklaring gaan niet betaalde gedeelten van de vorderingen op die persoon teniet. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk overwogen, dat het niet betaalde gedeelte van een dergelijke vordering ook niet kan worden verrekend indien de schuldeiser zelf wordt aangesproken.

In de kernoverweging 3.4.4 overweegt de Hoge Raad als volgt:
Indien de schuldsaneringsregeling is beëindigd, gelden voor de mogelijkheid om te verrekenen de regels van art. 6:127 e.v. BW. Omdat de schuldenaar van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is als schuldeiser de nakoming af te dwingen van een vordering als bedoeld in art. 358 lid 1 Fw, is hij met betrekking tot die vordering ingevolge art. 6:127 lid 2 BW niet bevoegd om zich op verrekening te beroepen (zie Kamerstukken II 1992/93, 22969, nr. 6, p. 12).

De hiervoor in 3.4.3 vermelde ratio van de toekenning van de schone lei aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling staat in de weg aan analoge toepassing van art. 6:131 lid 1 BW op de in art. 358 lid 1 Fw bedoelde vordering. De in art. 6:131 lid 1 BW neergelegde regel dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering, brengt dus geen verandering in het hiervoor genoemde uitgangspunt dat na toekenning van de schone lei de schuldenaar van degene aan wie de schone lei is toegekend niet bevoegd is om zich op verrekening te beroepen”.

Hoewel de feiten beperkt blijken uit de gepubliceerde tekst, is duidelijk dat in deze zaak vorderingen zijn overgedragen door akten van cessie. Kennelijk is daarmee geprobeerd de door verzoekers van het faillissement (curatoren in een faillissement van een vennootschap met een inmiddels vastgestelde vordering uit aansprakelijkheid) opgevoerde steunvordering te betwisten.

De Hoge Raad velt geen oordeel over deze strategie op zich. Wel is duidelijk, dat bij het waarderen en overdragen van vorderingen op natuurlijke personen er rekening mee moet worden gehouden dat na een schone lei-verklaring geen verrekening meer zal zijn toegestaan. Een dergelijke verrekening zal dus tijdig (bij voorkeur) vóór of tijdens een schuldsanering moeten worden ingeroepen. Na de schone lei-verklaring is het te laat.

Mr. M.S. van Knippenberg is advocaat te Enschede. Bovenstaand artikel is gericht op juristen, doch kan uiteraard ook ondernemers informeren.

Disclaimer: één van de gedaagde verzoekers van het faillissement van de verzoekster tot cassatie in deze zaak, curatoren in een faillissement van een vennootschap (mr. Fousert), en schrijver dezes hebben in de periode 2000-2003 als advocaat deel uitgemaakt van hetzelfde kantoor, zij het dat zij in verschillende vestigingen werkzaam waren. Schrijver dezes is op geen enkele wijze bij de hierboven besproken zaak betrokken geweest.