De schorsing van een bestuurder, honorering en aansprakelijkheid

Een bestuurder van een NV of BV kan door een besluit van (in beginsel) de algemene vergadering van aandeelhouders worden geschorst. Indien een bestuurder wordt geschorst, is vervolgens de vraag wat verder moet gebeuren met de bestuurder. Heeft de geschorste bestuurder verder recht op diens gebruikelijke honorering? Hoe zit het met zijn of haar aansprakelijkheid voor het gevoerde beleid, alle bestuurders zijn toch in beginsel gezamenlijk aansprakelijk?

De schorsing is bedoeld is als tijdelijke maatregel (zie bijvoorbeeld Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme § 434; Ook in De Groene Serie Rechtspersonen (Kluwer) wordt aan het einde van de behandeling van artikel 2:134 het tijdelijke karakter van de schorsing benadrukt).

Die tijdelijkheid impliceert mijns inziens dat hetzij de schorsing op een zeker moment eindigt door een opheffing daarvan (de schorsing is niet (meer) nodig gebleken), hetzij eindigt door een ontslag van de bestuurder. Het is niet de bedoeling de schorsing maar te laten voortduren; gedurende de schorsing zou onderzoek kunnen plaatsvinden naar de opgegeven reden of vermoedens die tot de schorsing aanleiding gaven. Kort gezegd zou gedurende de schorsing dus naar het einde ervan moeten worden toegewerkt. Zowel de opheffing van de schorsing als het ontslag zijn overigens weer besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders.

Nog in 1992 verkondigde Van der Grinten de toen gangbare opvatting dat in kort geding alleen een tijdelijk verbod om te besturen zou kunnen worden gegeven. Een bestuurder zou in kort geding niet kunnen worden geschorst (Handboek Van der Grinten § 253). In de jaren volgend op die laatste door Van der Grinten bewerkte druk hebben presidenten (voorzieningenrechters) echter toch in kort geding bestuurders geschorst. Aangenomen mag nu worden, dat een bestuurder in kort geding kan worden geschorst. Indien de stemmen in de algemene vergadering van aandeelhouders staken, kan een kort geding dus uitkomst bieden. De ervaring leert wel, dat de rechter goed van de ernst van een situatie overtuigd dient te zijn. Een eenvoudig verschil van inzicht tussen bestuurders / aandeelhouders onderling zal niet snel met een schorsing van een bestuurder door de voorzieningenrechter worden doorbroken.

De gangbare opvatting in de handboeken is dat het afhangt van de omstandigheden of de bestuurder nog aanspraak kan maken op zijn of haar honorering. Dit kan zijn geregeld in de overeenkomst met de bestuurder, er kunnen specifieke afspraken over worden gemaakt, maar het kan ook uit de omstandigheden blijken. Zo kan relevant zijn of de bestuurder tijdens de schorsing een andere functie heeft aanvaard.

Mijns inziens zou de honorering van een bestuurder kunnen worden opgeschort als deze wordt geschorst wegens voldoende onderbouwde vermoedens van ernstig verwijtbare gedragingen ten nadele van de vennootschap. Blijkt de bestuurder zich echter (toch) niet aan dusdanig ernstig verwijtbare gedragingen schuldig te hebben gemaakt dat een opschorting van uitbetaling van diens honorering gerechtvaardigd is, zou het niet uitbetaalde honorarium alsnog (met terugwerkende kracht) uitbetaald dienen te worden. Het is ook denkbaar dat gedurende een onderzoek naar een geschorste bestuurder er voldoende bezwaren tegen die bestuurder blijven bestaan om de schorsing te laten voortduren, doch dat naar aanleiding van gebleken omstandigheden alsnog diens honorarium wordt uitbetaald. In de situatie dat bepaalde zware verwijten onjuist zijn gebleken, terwijl andere minder zware verwijten juist lijken te zijn, is een dergelijke gang van zaken mogelijk.

Verder is mijns inziens terecht de gangbare opvatting dat de bestuurder die geschorst is alle bevoegdheden is verloren. Hij of zij vergadert niet mee met het bestuur, hij of zij is niet aanwezig bij algemene vergaderingen van aandeelhouders en hij of zij kan uiteraard niet de vennootschap vertegenwoordigen.

Mijn eigen opvatting is dat daaruit voortvloeit dat een geschorste bestuurder weliswaar nog steeds collectief met de andere, niet geschorste bestuurders, aansprakelijk kan zijn wegens wanbeleid, doch in de situatie dat dit wanbeleid eerst is begonnen na zijn of haar schorsing, die schorsing hem of haar volledig zal disculperen. Is een bestuurder geschorst in een periode dat het wanbeleid doorliep, zal deze zich mijns inziens met succes kunnen beroepen op de schorsing voor dat deel van het wanbeleid dat daarna plaatsvond of doorliep, in de zin dat hem of haar persoonlijk geen verwijt daarvan treft. Verder past een dergelijke schorsing wellicht in een verweer dat de betreffende bestuurder het niet met eerder wanbeleid eens was en zich daartegen intern heeft verzet, (mede) daarom werd geschorst en daarom geen verwijt treft. Of dat verweer gevoerd kan worden hangt uiteraard van de omstandigheden van het geval af.

De conclusie van het vorenstaande is dat:
– de schorsing tijdelijk behoort te zijn;
– een bestuurder door de rechter in kort geding geschorst kan worden;
– het van de omstandigheden afhangt of de bestuurder gedurende de schorsing wordt doorbetaald;
– een geschorste bestuurder gedurende de schorsing in beginsel mede aansprakelijk blijft voor het gevoerde beleid, doch zich tegen aanspraken kan verweren als de schorsing de bestuurder belette het wanbeleid te kennen en / of te stoppen.


Mr. M.S. van Knippenberg is advocaat te Enschede. Bovenstaand artikel is gericht op juristen, doch kan uiteraard ook bestuurders informeren.