De ellende van conservatoir beslag

Buitenlandse ondernemers en juristen verbazen zich erover hoe gemakkelijk in Nederland conservatoir beslag kan worden gelegd. Een ieder die stelt een vordering te hebben kan de onderneming of het persoonlijke leven van een ander met een beslag ontregelen. Het ongedaan maken van dat beslag is vervolgens een tijdrovende en kostbare aangelegenheid.

Een conservatoir (‘bewarend’) beslag houdt in dat de situatie rond een beslagen eigendom of recht wordt bevroren op het moment van beslag. Beslagen goederen kunnen feitelijk niet meer worden geleverd aan anderen. Beslagen gelden kunnen niet meer worden uitgeven. Op een beslagen pand kan feitelijk geen hypotheek meer worden gevestigd. Bij bewaring wordt het beslagen goed de beslagen persoon ook nog eens afgenomen. Het conservatoir beslag is bedoeld om ervoor te zorgen dat een schuldeiser de kans op verhaal van zijn vordering kan vergroten. Vaak wordt dit beslag echter gebruikt als pressiemiddel.

Voor het leggen van een conservatoir beslag is toestemming van een rechter nodig. Die toestemming kan echter zonder weerwoord worden gevraagd en verkregen. De gedachte is dat een beslagene ‘eenvoudig’ een kort geding kan beginnen om het beslag door de rechter weer opgeheven te krijgen. Het probleem is dat een kort geding meestal vele duizenden euro’s kost. Door het beslag is het financieren van die procedure soms lastig. Bovendien moet de rechter er dan in korte tijd van overtuigd worden dat de beslaglegger eigenlijk geen vordering heeft. Vindt de rechter de zaak ingewikkeld, dan zal deze niet snel het beslag opheffen. In de (‘bodem’)procedure, die na het leggen van een beslag dient te volgen, wordt de vordering dan verder inhoudelijk beoordeeld.

Een alternatieve manier om van een beslag af te komen is het aanbieden van een vervangende zekerheid zoals een bankgarantie. Het probleem daarvan is dat een bank daarvoor als tegenprestatie normaliter een contragarantie verlangt. De beslagene is dan vaak toch liquiditeit kwijt omdat de bank zekerheid moet worden geboden.

Indien een beslag niet in een kort geding wordt opgeheven, vervalt het pas als de vordering geheel is afgewezen in de bodemprocedure. Wordt de vordering (geheel of gedeeltelijk) toegewezen, dan wordt het beslag geacht terecht te zijn gelegd. Een procedure over die vordering kan vele maanden tot vele jaren duren. Al die tijd blijft het beslag bestaan. Uiteindelijk zou echter kunnen blijken dat de vordering niet eens bestaat. Ik vind daarom dat het laten opheffen van deze beslagen eenvoudiger moet worden.

Mr. Michaël S. van Knippenberg
Advocaat te Enschede
Deze column verscheen eerder in TOM, Twents Ondernemers Magazine

(terug) naar nieuws