Let op: dit artikel is geschreven voor 8 juli 2016. Op die datum deed de Hoge Raad een uitspraak waarin aan het in dit artikel beschreven probleem uit de praktijk tegemoet is gekomen. Voor de huidige stand van kennis leest u het naschrift onderaan.
Advocaten die zaken op basis van gefinancierde rechtsbijstand behandelen hebben een probleem. Ze kunnen sinds 1 januari 2015 niet meer eenvoudig en relatief goedkoop via de rechter een niet betaalde eigen bijdrage innen.
Vroeger gaf de president/ voorzitter van de rechtbank op basis van artikel 38 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand een nadere vaststelling van de eigen bijdrage dat door artikel 39 Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken in de vorm van een bevelschrift kon worden gegeven. Dat bevelschrift kon door de deurwaarder ten uitvoer worden gelegd. Voor het verzoek om een bevelschrift was (uiteraard) geen deurwaardersexploot nodig en was geen (!) griffierecht verschuldigd. Deze goedkope incassomethode paste bij het karakter van de gefinancierde rechtsbijstand: rechtskundige hulp aan minder draagkrachtige personen tegen beperkte kosten.
Op 1 januari 2015 is de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken vervallen. Artikel 38 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand dreigt daarmee een dode letter te worden. Een advocaat kan wel een nadere vaststelling vragen (het artikel bestaat nog) maar geen bevelschrift krijgen (artikel 39 Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken bestaat immers niet meer). Het was dan ook de bedoeling dat artikel 38 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand zou vervallen, maar dat is (nog) niet gebeurd. Het belang van het artikel is dus zeer beperkt geworden. Alleen de nadere vaststelling sluit hoogstens discussie over de vordering uit. De advocaat die nu nog die vaststelling verzoekt, beperkt het (overigens toch al beperkte) risico op afwijzing van een vordering in een gewone gerechtelijke procedure.
De Nederlandse Orde van Advocaten heeft niet merkbaar geprotesteerd tegen het vervallen van de mogelijkheid een bevelschrift te vragen. Wellicht is dit probleem onvoldoende onderkend.
In de praktijk komt het er nu op neer dat eigen bijdragen geïnd zouden moeten worden met een ‘gewone’ dagvaardingsprocedure. Het kantoor dat als rechtspersoon of maatschap opereert betaalt voor een eigen bijdrage van bijvoorbeeld EUR 514 op dit moment (2015) EUR 466 griffierecht. Met de kosten van het uitbrengen van een dagvaarding door de deurwaarder erbij (ongeveer EUR 80 exclusief omzetbelasting) zijn de proceskosten hoger dan de eigen bijdrage zelf (!); dan laten we buitengerechtelijke incassokosten en nakosten nog maar even buiten beschouwing. In eerste instantie is dat vervelend voor het kantoor. In potentie is het echter zeer nadelig voor de armlastige rechtzoekenden die hun schuld vanwege een onbetaalde eigen bijdrage zien verdubbelen, al voordat de deurwaarder nog eens de executiekosten op hen tracht te verhalen.
Een iets minder dure oplossing voor het kantoor dat een eigen bijdrage wil innen is de volgende. Het kantoor cedeert de vordering (voor zover nodig) aan de toegevoegde advocaat. Voor zover nodig, want de advocaat heeft uit hoofde van diens toevoeging een zelfstandige vordering op de rechtzoekende voor de eigen bijdrage. De advocaat met een inkomen onder de toevoegingsnorm kan eventueel een verklaring bij de raad voor rechtsbijstand opvragen voor een vermindering van het griffierecht. De advocaat vordert vervolgens op eigen naam de (gecedeerde) eigen bijdrage. De proceskosten zijn in dat geval (thans) EUR 211 of EUR 78 aan griffierecht, vermeerderd met de kosten van de deurwaarder. In verhouding tot de eigen bijdrage zijn dat materiële kosten, maar het is altijd nog minder dan het kantoor dat een rechtspersoon of personenvennootschap is zou betalen.
Voor de gefinancierde rechtshulp is dit alles een slechte ontwikkeling. Vanwege de lage vergoedingen is het immers ook niet aantrekkelijk voor kantoren de eigen bijdragen telkens af te boeken. Het resultaat zal zijn, dat in (verder) toenemende mate uitsluitend rechtsbijstand zal worden verleend na betaling van een voorschot ter hoogte van de verwachte eigen bijdrage.
Al met al zou het een goede zaak zijn als de mogelijkheid van een bevelschrift zou terugkeren.
Mr. M.S. van Knippenberg is advocaat te Enschede
Naschrift: mevrouw mr. Sunita Bhagwandin, advocate te Hoorn bij Het Hoorns Advokatenkollektief, attendeerde mij in mei 2016 op de beschikking van de plaatsvervangend president van de Rechtbank Midden-Nederland van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:669, hier te vinden). De president overweegt daarin onder meer dat de rechtbanken in Nederland niet op dezelfde manier omgaan met deze problematiek. De president vraagt daarom aan de Hoge Raad (met een prejudiciële vraag in de beschikking) of artikel 38 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand zo moet “worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daar van zich bij verzoek tot de president van de rechtbank kan wenden en de president deze zaak kan afdoen in de vorm van een voor executie vatbaar verzoekschrift”.
Naschrift 2: De Hoge Raad heeft op 8 juli 2016 bepaald dat “art. 38 lid 4 Wrb […] aldus [moet] worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoekschrift tot de president van de rechtbank kan wenden en dat de president op dat verzoekschrift beslist in de vorm van een voor executie vatbare beschikking” (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:1514). De Hoge Raad is dus tegemoet gekomen aan de bezwaren uit de praktijk.